|
Jeuzduas is meesterknecht
de koning van het slecht
Het volk in strijdt, krijt:
Bevrijdt ons Heer
van die verduivelde romein!
Ja, weet hij
dat moet ik zijn
de visser uit de goot
de breker van het brood.
Het drijfhout in de kolk.
De verlosser van het volk.
Maar, hoe leg ik aan
dat 't volk de straf na opstand kan ontgaan
Niet anders zit erop,
dan dat ik mijn eigen kop
laat geven.
Ik, oh Jezus, Here,
laat mij spijkeren, mij bezeren,
aan het harde koude hout.
Als was ik een kraai,
die tot verschrikkend voorbeeld voor de rest,
aan het hekje van de moestuin wordt gehecht.
Dan hang ik, (maar gottogod aan toe
dit hangen maakt mij moe).
Die spijkers in mijn vlees
en op de koop een steek,
kan ik niet langer lijden.
Ik voel het leven uit mij glijden.
Ik hou mij stil. . .
Een laatste gil. . .
Men haalt mij naar beneden
waar zij mij wanen overleden
De Koning van het volk is dood
Men treurt, maar. . .
de Romein heeft genen nood-
zaak meer, in bloed te smoren
wat broeit en uit wil barsten
Het dreigend vloed is afgewend
|